Indiefolkpareltjes down under
Vanuit de kuststreek ter hoogte van het Groot Barrièrerif waait een nieuwe folkwind genaamd The Middle East waarbij bebaarde jonkies en hipsters hun hart kunnen ophalen. Dit 7-koppig gezelschap heeft een gelaagde sound van folk, indie en country. De Australische band zag in 2005 het levenslicht, maar kwam in zijn beginjaren niet verder dan wat lokale festivals en concerten. Na de release van hun ep "Recordings of The Middle East" in 2009 in de V.S. begonnen ze meer in de spotlights te staan, maar nu ze hun eerste langspeler “I Want That You Are Always Happy” internationaal uitgebracht hebben, lijkt een doorbraak binnen handbereik.
Zelf waren The Middle East niet helemaal tevreden over hun debuutalbum, toch staat het album vol intieme songs waar het vakmanschap van afspat en zit er voor een recensent niets anders op dan een opsomming van hoogtepunten te geven. Het gemoed van het boeiende album fluctueert van onheilspellend tot hartverwarmend, opgewekt tot dramatisch. De referentie bij uitstek voor dit album is niemand minder dan Fleet Foxes. Dit is niet enkel omdat de stem van één van de zangers, namelijk Jordan Ireland, bijna een exacte kopie is van die van Robin Pecknold, de zanger van Fleet Foxes, ook de arrangementen, de close harmony samenzang en de pastorale folk zijn bij momenten treffend gelijkend met de veelbejubelde Amerikaanse folkband. Zeker bij het prachtige "Months" waant u zich een nieuwe hit te aanhoren van Fleet Foxes. De song straalt hoop uit en kippenvel krijgt de bovenhand. "Ninth Avenue Riverie", een melancholische en kleurrijke storyteller, is ook schuldig aan een zeker Fleet Foxes-gehalte. Tijdens een concert zouden gegarandeerd alle aanstekers meewiegend de lucht ingaan.
“I Want That You Are Always Happy” is echter zo gevarieerd dat er ook parels van een totaal andere categorie te ontdekken vallen. De band is duidelijk op ontdekkingstocht en wil zich niet in één hokje laten drukken. Daarvoor zorgen onder meer de andere twee zangers, Rohin Jones en Bree Tranter, die ook af en toe als hoofdzanger op de voorgrond treden. Jones heeft een iets donkerdere stem dan Damien Rice, terwijl de stem van Tranter een sterk poppy gehalte heeft. "Deep Water", ingezongen door Jones, is een lied waar u meteen verliefd op wordt. Dit acht minuten durende weemoedig gemijmer, dobberend op een oceaan van liefde waarbij Damien Rice en Ray LaMontagne spontaan voor de geest worden gehaald, is meteen het hoogtepunt onder de hoogtepunten van het album. Bree Tranter zorgt dan weer voor de vreemde eend van dit album. "Jesus Came To My Birthday Party" is een catchy indiedeuntje met een scherpe gitaarsolo. Tranter kan haar pret niet onderdrukken en het zou ons niet verbazen als hipsters uit pure extase een kussengevecht zouden beginnen bij het horen van dit speels lied. Het bevat de enige melodie van het album die echt blijft hangen en werd in Australië dan ook al een bescheiden hit.
Minder opvallend, maar zeker nog het vermelden waard vanwege de uitermate schoonheid zijn volgende drie songs. "My Grandmother Was Pearl Hall" is een donker en spookachtig juweel die bijna ongemerkt aan u voorbijgaat wanneer u het album als achtergrond beluistert. Installeer u echter uitgebreid in de zetel en sluit de ogen. U zal gegarandeerd de luidsprekers luider zetten. De opkomende en dreigende violen worden telkens weer op de achtergrond gehouden door een bloedmooie piano en de zachte, hartverwarmende en bijna kreunende stem van Rohin Jones. De instrumental "Sydney to Newcastle" verdient al evenzeer uw aandacht. Dit interludium snijdt het album perfect in twee en is opgebouwd rond een dromerige pianosolo en de stem van een conducteur die door de luidsprekers knalt. Bevreemdend, filmisch en melancholisch. Het album telt ook enkele nummers waar duidelijk country-elementen inzitten. "Mount Morgan" is veruit het meest intrigerend. In deze song vindt u onheilspellende, bombastische country die ideaal zou zijn als soundtrack wanneer Quentin Tarantino zich zou wagen aan een remake van "The Good, the Bad and the Ugly". De gitaar snijdt door merg en been, de bombastische drum onderstreept de tragiek.
Buiten twee à drie mindere nummers waaronder vreemd genoeg de eerste single van het album, "Hunger Song" die de gekende uptempo folk van Mumford & Sons van stal haalt en opvallend minder belegen is dan de rest, bestaat “I Want That You Are Always Happy” uit niets anders dan schoonheid. De indruk wordt echter gewekt dat verschillende sterke songs bij elkaar gezet werden zonder te willen zorgen voor één geheel. Dit leidt tot zo'n grote variatie aan stijlen en duidelijke invloeden dat het album een eigen muzikaal universum ontbreekt. Bovendien neemt zo de kans toe dat de luisteraar niet alle hoogtepunten evenzeer zal smaken en slechts enkele hoogtepunten zal koesteren in plaats van het album in zijn geheel. Desalniettemin levert The Middle East een album af van zeer hoge kwaliteit en bloedmooie stemmen. Eén hit van The Middle East is voldoende voor een nieuwe indiefolk hype.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten